zoeken

Preventiemedewerker

De Arbowet bepaalt dat een werkgever zich op het gebied van arbeidsomstandigheden laat bijstaan door ‘een of meer deskundige werknemers’. Het is aan werkgever om daarvoor, na instemming van de medezeggenschap, preventiemedewerker(s) aan te wijzen. Op grond van de risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E) zal het benodigde aantal preventiemedewerkers, hun beschikbare tijd, benodigde deskundigheid, takenpakket en hun plaats in de organisatie moeten worden vastgesteld. Hun onafhankelijkheid moet zijn gewaarborgd.

Inhoud

RI&E als basis

De werkgever dient te zorgen dat preventiemedewerkers hun preventieve taken naar behoren kunnen vervullen. In de RI&E moeten daarom maatregelen opgenomen worden om hun aantal, organisatie, deskundigheid, ervaring, uitrusting en beschikbare tijd op orde te brengen. Dat geldt ook voor de taakomschrijving en de inhoudelijke taakgebieden van de preventiemedewerker(s). De keuzes rond deze aspecten moeten zijn gebaseerd op de resultaten van de RI&E, met name op het aantal en de ernst van de aangetroffen arbeidsrisco’s. Daarnaast zijn bedrijfskenmerken van belang zoals de bedrijfsgrootte en het aantal vestigingen. Een beschrijving van benodigde maatregelen maakt deel uit van de RI&E die ter beoordeling voorgelegd moet worden aan een kerndeskundige en aan de medezeggenschap.

Aantal preventiemedewerkers en hun beschikbare tijd

Ook bij de bepaling van het benodigd aantal preventiemedewerkers en hun beschikbare tijd spelen de aangetroffen risico’s in de RIE, het aantal vestigingen en de omvang van de hbo-instelling een belangrijke rol. Daarnaast is ook de vraag van belang welke arbotaken de hogeschool extern belegt. Sommige arbotaken die zelden voorkomen en specifieke deskundigheden vereisen, kan men extern inhuren. Denk aan keuringen van arbeidsmiddelen of brandblusmiddelen.
Aan de andere kant zijn er in het bedrijf voldoende preventiemedewerkers nodig met ook voldoende uren om goed in te kunnen spelen op dagelijkse arborisico’s. Voor sommige specifieke arbothema’s geldt bovendien dat het wettelijk is voorgeschreven dat er intern een medewerker is aangewezen om zich daarmee te belasten, zoals een toezichthoudend medewerker bij radioactieve straling.
Onder het kopje Plaats in de organisatie is bovendien in deze arbocatalogus aangegeven dat, afgezien van een enkele kleine hbo-instelling, in hbo-instellingen steeds een combinatie van een centrale preventiemedewerker en enkele lokale preventiemedewerkers nodig is om de preventietaken goed te kunnen uitvoeren. 

Op grond van bovenstaande aspecten dient iedere hbo-instelling in de RI&E onderbouwd vast te stellen hoeveel preventiemedewerkers nodig zijn, met hoeveel uren, met welke uitrusting, taakomschrijving en inhoudelijke taakgebieden, deskundigheid en ervaring en ook hoe zij georganiseerd zijn. Ook dat onderdeel van de RI&E/plan van aanpak moet ter instemming aan het medezeggenschapsorgaan worden voorgelegd en ter toetsing aan een kerndeskundige.

Interne of externe ondersteuning

De werkgever moet bij het bepalen van het aantal preventiemedewerkers en hun taken allereerst nagaan of de bijstand geheel intern kan worden georganiseerd. Als blijkt dat daarvoor redelijkerwijs onvoldoende mogelijkheden te creëren zijn, mag er een combinatie gemaakt worden van interne en externe ondersteuning, bijvoorbeeld door het inschakelen van externe (gecertificeerde) deskundigen. In elk geval geldt altijd de verplichting om minstens één preventiemedewerker in dienst te hebben. De Europese Kaderrichtlijn waarop de Nederlandse wetgeving rond de preventiemedewerker is gebaseerd, stelt dat eigen deskundigheid voorrang verdient boven extern ingehuurde ondersteuning.

Taken

Het takenpakket van preventiemedewerkers omvat minimaal de drie wettelijk omschreven taken:

  • medewerking verlenen aan de RI&E (de wettelijk voorgeschreven risico-inventarisatie en -evaluatie);
  • het adviseren aan en nauw samenwerken met:
    • de medezeggenschap;
    • de bedrijfsarts en/of andere kerndeskundigen en -indien gecontracteerd- de arbodienst;
  • het uitvoeren van arbomaatregelen of daaraan meewerken.

In de hbo-instelling is een beschrijving van specifieke taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van elke preventiemedewerker vereist. Die beschrijving kan deel uitmaken van de schriftelijke aanwijzing van een preventiemedewerker door de werkgever.
De toebedeling van taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden aan een preventiemedewerker is overigens sterk afhankelijk van diens plaats in de organisatie.

Plaats in de organisatie

Afgezien van een enkele kleine hbo-instelling is in de overige hbo-instellingen steeds een combinatie van een centrale preventiemedewerker en een enkele lokale preventiemedewerkers nodig om de preventietaken goed te kunnen uitvoeren. 

Centrale preventiemedewerker
De centrale preventiemedewerker heeft een staffunctie in de bestuursorganisatie en is vooral bezig met beleidsmatige taken, zoals:

  • het vervaardigen van nieuwe arboregelingen
  • opstellen van jaarplannen, en- verslagen
  • contact met de bedrijfsarts en/of andere kerndeskundigen
  • Inspectie SZW en de centrale medezeggenschapsraad
  • het coördineren van het RI&E-proces
  • de BHV-organisatie de ongevalsregistratie
  • het aansturen van lokale preventiemedewerkers en het zorgdragen voor het eventuele arbomanagementsysteem.

Voor deze functie wordt ook de benaming Arbocoördinator of KAM-manager gebruikt. Vaak is dit een fulltime functie of vergen de werkzaamheden een aanzienlijk deel van de werkweek.
Een belangrijk aandachtspunt is aan wie de cetnrale preventiemedewerker rapporteert. Is dat rechtstreeks aan het College van Bestuur of aan een hoofd van een stafafdeling, zoals hoofd HR of hoofd Facilitair? Daarover dient in elke hbo-instelling een afgewogen keuze te worden gemaakt.

Lokale preventiemedewerker
Lokale preventiemedewerkers voeren voornamelijk praktische arbotaken uit op een vestiging of voor één of meer opleidingen. Zij fungeren bijvoorbeeld als vraagbaak voor leidinggevenden en medewerkers, verzorgen delen van de arbovoorlichting, nemen deel aan arborondgangen, en ondersteunen decentraal de uitvoering van de RI&E en ongevalsonderzoeken. Ook hebben zij contact met deelraden of andere lokale medezeggenschapsorganen.

Deskundigheid en scholing

Welke deskundigheden een preventiemedewerker nodig heeft wordt in grote mate bepaald door de arborisico’s in de organisatie. Ook de positie in de organisatie is van invloed op de benodigde  competenties. In een hbo-instelling is het in ieder geval vereist om deskundigheid bij preventiemedewerkers te organiseren over de belangrijke onderwerpen arbobeleid, werkdruk, ongewenste omgangsvormen en beeldschermwerk. Daarnaast zijn bij lokale preventiemedewerkers specifieke deskundigheden vereist over arborisico’s in praktijklokalen bij de opleiding(en) en vestiging(en) waarvoor zij zijn aangewezen. De hogeschool draagt op grond van de RI&E zorg voor een schriftelijke vastlegging van de benodigde deskundigheden bij preventiemedewerkers en de onderlinge verdeling daarvan. Op grond van dat document zorgt de hbo-instelling dat preventiemedewerkers naast een algemene scholing (over wettelijke achtergrond, hun taken, rol en werkwijze) ook een training of opleiding over hun specifieke taakgebieden krijgen aangeboden. Ook wordt voorzien in een periodieke opfrissing en zo nodig bijscholing.
Het benodigde opleidingsniveau van de preventiemedewerkers is afhankelijk van hun plaats in de organisatie en hun specifieke takenpakket. Voor centrale preventiemedewerkers is minimaal een hbo-niveau vereist.

Onafhankelijkheid

De werkgever dient de preventiemedewerkers in de gelegenheid te stellen om hun taken zelfstandig en onafhankelijk  uit te kunnen voeren. Zij mogen door hun werkzaamheden niet benadeeld worden in hun positie in het bedrijf. Onder ‘benadeling in positie’ kan ondermeer worden verstaan:

  • vermindering van promotiekansen
  • verslechtering van werkomstandigheden
  • gedwongen overplaatsing of schorsing

Een benadeelde preventiemedewerker kan zich eventueel tot een kantonrechter wenden met het verzoek te bepalen of de werkgever in overtreding is.
Daarnaast genieten preventiemedewerkers een ontslagbescherming op grond van artikel 13.5 van de Arbowet dat doorverwijst naar het Burgerlijk Wetboek 7:670 en 670a.

Medezeggenschap

De personeelsgeleding van de MR heeft instemmingrecht bij het invoeren, wijzigen of intrekken van een regeling op het gebied van arbeidsomstandigheden. Dat instemmingsrecht geldt ook voor vaststelling of wijziging van een regeling rondom de preventiemedewerkers, zoals hun aantal en beschikbare tijd, de benodigde deskundigheden en uitrusting. Sinds 2017 hebben medezeggenschapsorganen bij nieuw aan te wijzen preventiemedewerkers ook expliciet instemming over de persoon en diens plaats in de organisatie. Voor het hbo geldt dat voor (personeelsgeledingen van) medezeggenschapsraden, deelraden e.d.

Evaluatie  

De manier waarop preventiemedewerkers binnen een hbo-instelling zijn georganiseerd en hun effectiviteit dienen bij een RI&E te worden beoordeeld. Daarnaast zijn tussentijdse evaluaties nodig om dergelijke beoordelingen uit te voeren en om vast te stellen of er aanpassingen nodig zijn. Bij deze evaluaties worden gesprekken met preventiemedewerkers gecombineerd met beoordelingen door vertegenwoordigers van de werkgever en van de MR.