zoeken

Inrichtingseisen gebouwen

De inrichtingseisen voor scholen- en instellingsgebouwen beschrijven aan welke eisen gebouwen van hbo-instellingen moeten voldoen en wat de voorschriften bij ondermeer binnenklimaat, verlichting, pauzeruimten en gangen zijn.

Inhoud

Algemene inrichtingseisen voor scholen en instellingsgebouwen

De algemene inrichtingseisen voor scholen/instellingsgebouwen en terreinen zijn nader uitgewerkt in de volgende deelonderwerpen:

Binnenklimaat
Verlichting
Lokalen algemeen
Toegang en buitenruimte
Gangen en trappen
Pauzeruimten, kolfruimten en rookruimten
Sanitair
Onderhoud, orde en netheid
Opslag, voorraad en afval

Binnenklimaat

Het binnenklimaat in een gebouw is een gevolg van invloeden van: het buitenklimaat, de gebouweigenschappen, processen, machines, aanwezige personen, en dergelijke. Ook de corrigerende invloed van klimaatvoorzieningen, zoals ventilatie, verwarming en koeling spelen mee.
Een veelgehoorde term bij het binnenklimaat is ‘thermische behaaglijkheid’, ofwel in welke mate iemand het koud of warm heeft. In het dagelijks leven praten we in dit verband over de temperatuur in een ruimte. Toch bepaalt niet alleen de (lucht)temperatuur of we het warm of koud hebben. Ook de luchtsnelheid, de stralingstemperatuur, de luchtvochtigheid, het activiteitenniveau en de kledingisolatie spelen een rol.

Ook de kwaliteit van de binnenlucht is belangrijk bij de beleving van het binnenklimaat. Een maat voor de kwaliteit van de binnenlucht bij aanwezigheid van mensen is de CO2-concentratie.

Een slecht binnenklimaat in scholen heeft een negatief effect op de gezondheid en werk- en leerprestaties van studenten en personeel.

Leidraad

Wanneer er verbouw- of nieuwbouwplannen bestaan of nieuwe installaties nodig zijn, is het belangrijk vooraf eisen te stellen aan het ontwerp van het gebouw en/of de installaties. Daarbij is behalve een optimaal binnenmilieu ook beperking van het energiegebruik essentieel, alleen al vanwege de kosten.
Voor opdrachtgevers van nieuw- en verbouw van scholen (schoolbesturen en gemeenten) dient het programma van eisen Frisse Scholen van 2021 als leidraad voor een ‘frisse school’. Het programma van eisen gaat uit van drie klassen met bijbehorende eisen: klasse C (acceptabel), klasse B (goed) en klasse A (zeer goed). Zie verder hieronder bij Normen en wetgeving.
De eisen uit het PvE dienen in minimaal 95% van de gebruikstijd te worden gehaald. Er is rekening gehouden met een marge van 5% om te anticiperen op storingen of extreme situaties denk aan het weer of overbezetting van ruimten). Het PvE is van toepassing op standaardleslokalen in scholen voor PO en VO. De eisen zijn niet zonder meer toepasbaar op praktijklokalen en collegezalen.

Maatregelen

Onderzoek

  • Bij klachten over het binnenklimaat wordt het binnenklimaat onderzocht. Het type onderzoek is afhankelijk van de betreffende klachten.
  • Wanneer de metingen onderdeel van het onderzoek zijn, worden deze vergeleken met de eisen in het Programma van Eisen Frisse Scholen 2021.

Normen en wetgeving

Voor nieuwbouw en verbouw moet een hbo-instelling ernaar streven te voldoen aan de eisen van
klasse B.  Die eisen staan in het programma van eisen Frisse Scholen 2021.

Bij bestaande bouw geldt minimaal klasse C. De belangrijkste eisen uit klasse C voor het binnenklimaat zijn:

  • Ventilatie: De CO2-concentratie in leslokalen (in de ademzone) is tijdens gebruikstijd maximaal 1200 ppm; parts per million. (NB. Bij nieuwbouw geldt Klasse B: maximaal 950 ppm).
  • Het ventilatiedebiet (hoeveelheid verse luchttoe- en/ of afvoer) is minimaal 6 dm³/s , ofwel 21,6 m³/uur,  per persoon. (NB. Bij nieuwbouw geldt Klasse B: 8,5 dm3 /s  ofwel 30,6 m3 /uur, per persoon.
  • De operatieve temperatuur (combinatie van de luchttemperatuur en stralingstemperatuur) ligt in het stookseizoen tussen 18 en 25°C.
  • Het verwarmingssysteem is zodanig gedimensioneerd en uitgevoerd dat de operatieve temperatuur in de verblijfsruimten minimaal 19°C is.
  • De luchtsnelheden in de leefzone (het deel van de groepsruimte waar studenten en docenten verblijven) zijn ’s zomers niet hoger dan 0,23 m/s. De luchtsnelheden in de leefzone zijn ’s winters niet hoger dan 0,19 m/s.
  • Op alle daglichtopeningen (inclusief daklichten) behoudens de noordzijde is buitenzonwering aanwezig , zoals screens, uitvalschermen of vaste zonwering (zoals overstekken).
  • Het mechanische ventilatiesysteem is voorzien van een automatische regeling voor zomernachtventilatie.In leslokalen is de afstand van vloer tot (verlaagd) plafond minimaal 2,6 m.

Voor een uitgebreide toelichting bij bovenstaande punten, zie Programma van eisen Frisse Scholen 2021.

Wet- en regelgeving

Verlichting 

Normen en wetgeving

De kunstverlichting, daglichttoetreding en helderheidswering moeten zodanig uitgevoerd zijn dat ze ten minste voldoen aan het programma van eisen Frisse Scholen 2021.

Verschillende verlichtingseisen voor kunstlicht, geordend naar type ruimte en werkzaamheden, staan in de norm NEN 12464-1. Een aantal belangrijke eisen vindt u in de onderstaande tabel.
NB Hier worden de minimale waarden weergegeven. Bij precieze werkzaamheden of met het oog op sociale veiligheid (bv in gangen) kunnen hogere waarden nodig zijn.

Tabel: Prestatie-eisen kunstlicht volgens de norm NEN-EN 12464-1: Praktijkverlichtingssterkte (in lux)

Kantoorpanden

lux

 

Scholen

lux

algemene ruimte

300

 

gymnastieklokaal

375

werkplek

500

 

klaslokaal

300

gang

100

 

collegezaal

500

receptie

300

 

praktijklokaal

750

archief

200

 

toilet

100

kantine

200

 

tekenlokaal

800

         
         


Bedrijfshallen/industrie

lux

 

Sportaccommodaties

lux

opslag- en voorraad

100

 

gymzaal

300

expeditie en verpakkingsruimte

300

 

sporthal

500

metaalbewerking

300

 

fitness/vechtsport/aerobics ruimte

200

gangpad

150

 

zwembad

300

assemblage

300

 

kleedkamers

150

laboratorium

500

 

 

 

Wet- en regelgeving

  • Bouwbesluit (daglicht): afdeling 3.11.1 nieuwbouw en 3.11.2 bestaande bouw
  • NEN-12464-1: 2003 nl: Licht en verlichting – Werkplekverlichting – Deel 1: Werkplekken binnen
  • NEN 3087: 2011 nl: Ergonomie – Visuele ergonomie in relatie tot verlichting – Principes en toepassingen

Lokalen algemeen

Het hbo heeft een grote diversiteit aan lokalen. Een belangrijk onderscheid is te maken tussen theorielokalen en vak-/praktijklokalen. Specifieke risico’s in praktijklokalen zijn elders in deze arbocatalogus beschreven. In theorielokalen spelen arbeidsomstandigheden als klimaat, ventilatie, geluid, oppervlakte en licht een rol.

Normen en wetgeving

  • Alle wandcontactdozen, lichtschakelaars en elektrische leidingen/kabels zijn onbeschadigd en functioneren.  Er zijn geen permanente verlengsnoeren.
  • De doorgangen en looppaden zijn vrij van obstakels en tenminste 80 cm breed voor enkelzijdig verkeer; 120 cm breed voor dubbelzijdig verkeer en tenminste 150 cm breed als studenten rug aan rug werken.
  • In de leslokalen zijn geen planten of dieren geplaatst die overgevoeligheid kunnen veroorzaken of met schadelijke of giftige eigenschappen.
  • Er is een goede akoestiek in het lokaal: overal in de ruimte is de spraakverstaanbaarheid goed. Stemverheffing is niet nodig. Er is geen lastige nagalm. Er wordt geen hinder ondervonden van geluid uit de omgeving van het lokaal.
    De akoestiek voldoet aan de voorschriften uit het Programma van eisen Frisse Scholen 2021.
  • Alle verlichtingsarmaturen geven voldoende lichtopbrengst (klaslokaal 300 lux, collegezaal 500 lux, praktijklokaal 750 lux zie hierboven), zijn onbeschadigd en schoon, en waar nodig uitgevoerd met stootbeveiliging.
  • Bij gebruik van digitale schoolborden worden hinderlijk tegenlicht en reflecties voorkomen, terwijl enig uitzicht naar buiten mogelijk blijft. Er is gezorgd voor ergonomisch verantwoord meubilair in de leslokalen. Op werkplekken die door veel verschillende personen worden gebruikt is gekozen voor eenvoudig instelbaar meubilair.  De tafels en stoelen zijn stabiel, verkeren in goede staat van onderhoud en zijn vrij van splinters en andere beschadigingen.
  • Er zijn dusdanige klimaatvoorzieningen in het lokaal dat in alle seizoenen het binnenklimaat als behaaglijk wordt ervaren (met als mogelijke uitzondering enkele dagen met extreme temperaturen). Lokalen aan de zonzijden van het gebouw beschikken over zonwering. Er is voor gezorgd dat gebruikers zo veel mogelijk het binnenklimaat individueel kunnen regelen. Het klimaat in de lokalen voldoet aan de voorschriften uit het programma van eisen van Frisse Scholen.
  • Er zijn voor het hbo geen wettelijke normen voor de minimale oppervlakte van leslokalen. Als uitgangspunt geldt dat een theorielokaal groot genoeg moet zijn voor het aantal aanwezigen. Richtlijn: bij voorkeur ten minste 2 m2 nuttige oppervlakte per student en 3.5 m2 per docent.
  • De gebruiker houdt minimaal 30 cm afstand tot de zijmuren en gevel (koudeval bij ramen of te dicht op verwarmingsradiatoren).
  • De tafels en stoelen voor de studenten vertonen geen mankementen (stabiel, in goede staat van onderhoud zonder splinters en andere beschadigingen).
  • Het meubilair (stoel en tafel) voor de medewerkers is ergonomisch verantwoord, dat wil zeggen het is gebruikersvriendelijk aan te passen aan de persoonlijke kenmerken (o.a. lichaamsafmetingen) en de werkzaamheden.
  • De vloerafwerking is:
  • antistatisch;
    • geluiddempend;
    • voetwarm (er trekt geen kou op);
    • doelmatig nat te reinigen.

Wet- en regelgeving

Toegang en buitenruimte

Gebouwen en terreinen zijn goed en veilig toegankelijk, ook voor specifieke groepen, zoals  mensen met motorische, auditieve of visuele beperkingen.

Normen en wetgeving

Terreinen en gebouwen hebben goede toegangswegen, bewegwijzering en verlichting. Er zijn op het eigen buitenterrein zo weinig mogelijk oneffenheden op wegen/paden die struikelgevaar kunnen veroorzaken, of belemmeringen vormen voor mindervaliden en/of ze zijn opvallend gemarkeerd. De breedte van paden/wegen is afgestemd op de verkeersstromen, inclusief rolstoelen.

Terreinen en gebouwen zijn toegankelijk gemaakt voor mensen met visuele of motorische beperkingen.
Bij nieuwbouw of verbouw worden de voorschriften in de publicatie ‘Toegankelijk Bouwen’ van Bouwadvies Toegankelijkheid als minimale eis toegepast. Bij bestaande situaties gebeurt dit zoveel als redelijkerwijs van de hbo-instelling kan worden verwacht, waarbij in ieder geval moet worden voldaan aan de minimale wettelijk eisen (Bouwbesluit en artikel 4 Arbowet).

  • Er is op het buitenterrein zo veel mogelijk scheiding aangebracht tussen routes voor voetgangers, fietsers/bromfietsers en auto’s.
  • Op het terrein doen zich geen gevaarlijke en irriterende situaties voor doordat berijders hun transportmiddelen niet goed kunnen parkeren/stallen en deze daardoor parkeren op plaatsen waar overig verkeer er hinder van ondervindt of bij het wegrijden ongevalsrisico’s ontstaan.
  • Looproutes zijn zodanig dat medewerkers en bezoekers niet langs risicoplekken lopen (met bijv. transportbewegingen, vallend materiaal, spatten of stoffen) of deze plekken zijn goed fysiek afgeschermd.
  • Omdat in de verkeersstroom van en naar de hogeschool grote pieken optreden en de studenten tot een kwetsbare groep mogen worden gerekend, is speciale aandacht vereist voor de overzichtelijkheid en veiligheid van de uitgangen van het schoolterrein. Verkeerstromen hebben goed zicht op elkaar en waar nodig zijn in overleg met de gemeente, voorzieningen aangebracht om de veiligheid te vergroten (drempels, strepen, waarschuwingsborden, spiegels).
  • Met name in de herfst- en winterperiode worden de routes op het binnenterrein tijdig schoon gehouden (bladeren, ijs en sneeuw).
  • In de Tabakswet is bepaald dat vanaf augustus 2020 schoolpleinen van hbo-instellingen rookvrij zijn. Inpandige rookruimtes zijn verboden. Vanaf 1 juli 2021 kan dat verbod door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) gehandhaafd worden.
  • Er is goede beveiliging van het terrein (een omheining, toezicht, verlichting, overzichtelijke situaties, sloten).
  • De hbo-instelling stelt, gezien de vrije toegankelijkheid van hogeschoolgebouwen, een beleid op tegen agressie, geweld en ander ongewenst gedrag door derden. Zie daarvoor het betreffende onderdeel van het thema Ongewenst gedrag in de arbocatalogus hbo.
    Verder zijn de bedrijfshulpverleners er op getraind om bij ontruimingen te zorgen dat dat alle aanwezigen het pand verlaten.

Wet- en regelgeving

Gangen en trappen

Vloeren, gangen en trappen zijn veilig uitgevoerd en goed onderhouden en verkeren in goede staat. Ze zijn goed begaanbaar, de vloer is niet glad, het glas is veilig en vluchtroutes zijn vrij.

Normen en wetgeving

  • Vloeren, gangen en trappen zijn niet glad en hebben geen losse vloerdelen en oneffenheden die struikelgevaar kunnen veroorzaken. Er zijn geen scherpe uitsteeksels, ruwe materialen of splinters aanwezig. Eventuele kapstokhaken zijn afgeschermd of naar binnen gekeerd. Niveauverschillen zijn goed visueel gemarkeerd, bijvoorbeeld door kleurverschil, materiaalverschil en/of pictogrammen. Gangen, trappen en (nood)uitgangen zijn vrij van obstakels, materialen en opslag.
  • Bij onrust zijn er mogelijk grote verkeersstromen en mogelijk hollende mensen. Dat laatste moeten scholen voorkomen door voorlichting, oefening en de juiste wijze van alarmering.
  • Op plaatsen waar gedrang mogelijk is, zijn glazen en transparante deuren en vlakken beveiligd tegen doorvallen van studenten (door gebruik van veiligheidsglas en/of stootbalk).
  • Plekken waar van een hoogte vallen mogelijk is, zijn afgeschermd bijvoorbeeld met leuningen, relingen, hekwerken of kantplank. Hekwerken met een open constructie sluiten aan de vloer aan met een kantplank van tenminste 15 cm hoog of er is een tussenruimte tussen vloer en hekwerk niet groter dan 15 cm. De openingen van een hekwerk met een open constructie zijn nooit groter dan 47 x 47 cm.
  • Op plaatsen waar materialen op personen kunnen vallen, zijn looproutes afgeschermd.
  • De breedte van een gangpad is afgestemd op de verkeersstromen. Daarbij is ook rekening gehouden met eventuele obstakels zoals kasten. In ieder geval voldoet de gangbreedte aan de minimumeisen van het Bouwbesluit artikel 4.22 en 4.23.
  • Gangen langer dan 50 meter zijn gecompartimenteerd door deuren die de rook tegenhouden en een brandwerendheid bezitten van ten minste 30 minuten.
  • Deuren zijn deels doorzichtig, dicht of kunnen dichtgaan bij brand (als ze brand- of rookscheiding zijn). Glas in looproutes/gangen is veilig toegepast: als het risico bestaat dat er druk op komt (tegen geleund of gedrukt wordt) of iemand of iets ertegenaan kan vallen of stoten, is het veiligheidsglas, afgeschermd door middel van beugels of een andere adequate bescherming. Glas dat breekt kan niet op personen vallen.
  • Glazen of transparante deuren en vlakken zijn op ooghoogte (1,65meter) voorzien van een markering.
  • Met het oog op mensen met auditieve, visuele of motorische beperkingen worden bij nieuwbouw of verbouw de voorschriften in de publicatie ‘Toegankelijk Bouwen’ van Bouwadvies Toegankelijkheid als minimale eis toegepast. Bij bestaande situaties gebeurt dit zoveel als redelijkerwijs van de hbo-instelling kan worden verwacht, waarbij in ieder geval moet worden voldaan aan de minimale wettelijk eisen (Bouwbesluit en artikel 4 Arbowet).
  • In gangen en op trappen is de verlichting minimaal 100 lux.
  • De noodverlichting voldoet aan de volgende eisen:
    • De trappen zijn goed begaanbaar, zonder risico op uitglijden:
    • De noodverlichting voldoet aan de volgende eisen:
    • Een noodverlichtingsinstallatie moet automatisch en binnen 15 seconden in werking treden, zodra de normale netspanning wegvalt.
    • De minimale sterkte van de noodverlichting is:
       =  1 lux voor vluchtwegen (2 lux wordt aanbevolen)
       =  5 lux voor brandbestrijdingsmiddelen, brandmelders en EHBO-posten:
    • de voorgeschreven verlichtingssterkte moet over de hele breedte van een vluchtroute gehaald worden. (Deze breedte is afgestemd op de verkeerstroom)
    • Om de vereiste verlichtingssterkte van 1 lux bij vluchtwegen te kunnen behalen, moet een noodverlichting worden geïnstalleerd bij elke uitgang en op die plaatsen die potentieel gevaarlijk zijn of waar hulpmiddelen te vinden zijn. Denk hierbij aan trappen, richtingsveranderingen, niveauverschillen, uitgangen, bij kruisingen of splitsingen van gangen en bij brandmelders, brandbestrijdingsmiddelen en een eventuele EHBO-post.
    • De noodverlichting wordt jaarlijks getest.
  • Vluchtroutes zijn aangegeven met pictogrammen overeenkomstig de Arboregeling 8.9 – 8.11
    • In de gangen, hallen en gemeenschapsruimten zijn de (nood)uitgangen met goed zichtbare pictogrammen aangegeven.
    • In ruimten voor méér dan 50 personen is boven de deuren een pictogram (= beeld van vluchtend figuurtje) aangebracht.
    • Boven elke gelegenheid tot ontvluchting zijn pictogrammen aangebracht.
    • Bij wijziging van de vluchtrichting zijn deze aangegeven met een pijl.
    • De pictogrammen zijn op hoogstens 50 cm boven de deur aangebracht, op zodanige wijze dat ze zichtbaar zijn in de vluchtrichting.
    • De pictogrammen en richtingspijlen moeten door de noodverlichting helder en gelijkmatig zijn verlicht.
  • De trappen zijn goed begaanbaar, zonder risico op uitglijden:
    • Trappen zijn zodanig breed dat ze de verkeerstromen zodanig kunnen verwerken dat opstoppingen en gevaarlijke situaties op trappen worden voorkomen. De trapbreedte voldoet minimaal aan de eisen uit het Bouwbesluit: namelijk minimaal 0,7 m voor bestaande bouw en 0,8 m voor nieuwbouw.
    • De treden zijn gaaf, stroef en uniform in hoogte en diepte.
    • De treden zijn bij voorkeur voorzien van een anti-slipprofiel.
    • Als de trede minder diep is dan 22,5 cm is de optree open.
    • Aan beide zijden van de trap zijn doelmatige leuningen aanwezig
      (een leuning aan één zijde mag als de trap smaller is dan 1,20 m;
      als de trap breder is dan 2,20 m, is ook in het midden een leuning aangebracht).

De bovenstaande eisen gelden ook voor trappen in vluchtwegen.

  • Het gevaar dat vingers bekneld raken bij toegangsdeuren en zware tussen- /klapdeuren is adequaat bestreden door:
    • beveiligingen toe te passen, die beweging van de deur of het hek verhinderen, wanneer personen hierdoor kunnen worden geraakt, of
    • beveiligingen toe te passen, die bij aanraking de beweging van de deur of van het hek stoppen of omkeren, of
    • Bij automatisch sluitende deuren of hekken, is de kracht die nodig is om te voorkomen dat de deur of het hek sluit, kleiner dan 150 N.
  • Ook is de drukkracht (stoot) van een bewegend deurblad of hek niet meer dan 750 N bij een resterende opening groter dan 0,25 m en niet meer dan 500 N bij een resterende opening gelijk of kleiner dan 0.25 m. Er mogen geen slipkoppelingen gebruikt worden om die drukkracht te beperken.
  • Bij schoonmaak en onderhoudswerkzaamheden worden adequate maatregelen getroffen om gevaren voor voorbijgangers te voorkomen, bv met waarschuwingsborden of afzetting.

Wet- en regelgeving

Pauzeruimten, kolfruimten en rookruimten

Scholen hebben voor medewerkers en studenten pauzeruimtes beschikbaar.  Er zijn geen inpandige rookruimten. Vrouwen die zwanger zijn of borstvoeding geven, kunnen zich afzonderen.

Normen en wetgeving

  • Zowel voor medewerkers als voor studenten zijn pauzeruimtes beschikbaar. Voor medewerkers zijn aparte pauzeruimtes.
  • De pauzeruimte is fysiek gescheiden van de werkruimte.
  • Zeker waar mensen met gevaarlijke stoffen werken, wisselen zij buiten de pauzeruimte hun werkkleding om voor schone kleding en zijn er adequate sanitaire voorzieningen om vóór het betreden van de pauzeruimte handen en gelaat te wassen.
  • Er is in de pauzeruimte voldoende verlichting (minimaal 200 lux en bij voorkeur 400 lux) en ventilatie (volgens het Bouwbesluit is bij bestaande bouw de minimale ventilatie 2,12 liter lucht per seconde per persoon. In nieuwbouw is de minimumnorm voor pauzeruimtes gesteld op 4 liter)
  • Mede op grond van de voorkeuren van de medewerkers kan gekozen worden voor een passende verdeling tussen zitgelegenheden (tafels met stoelen) enerzijds en statafels anderzijds. (bv een verdeling 2/3 – 1/3).
  • Er is een speciale afsluitbare ruimte beschikbaar waar medewerkers die dit nodig hebben, zich kunnen afzonderen. Het betreft een ruimte voor situaties waarin medewerkers verplicht (liggend) rust moeten nemen (bijvoorbeeld sommige zwangere vrouwen). De werkgever moet ook ruimte (met privacy) bieden voor vrouwen die willen kolven. De ruimte beschikt over voorzieningen als een bed of rustbank en een koelvoorziening. Zie hier voor meer informatie in de arbocatalogus hbo over borstvoeding en kolven op het werk.
  • Het roken is in alle gebouwen verboden. Inpandige rookruimtes en roken op schoolpleinen en andere buitenterreinen zijn verboden. Dit rookverbod kan door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) gehandhaafd worden.

Wet- en regelgeving

Sanitair

Een hogeschool moet voldoende, naar sekse gescheiden sanitair hebben, zoals toiletten en ruimtes met wastafels.

Normen en wetgeving

  • Er zijn voldoende toiletten aanwezig (één per twintig aanwezigen per sekse). Daarnaast zijn douches vereist daar waar medewerkers/studenten werkzaamheden verrichten waarbij ze vuil worden (werkplaatsen), hoge fysieke inspanning leveren (onder meer gymnastieklokalen) en/of aan hitte bloot staan. Voor rolstoelgebruikers is een aangepast toilet beschikbaar, toegankelijk voor rolstoelen.
  • Alle sanitaire ruimtes worden voldoende schoongehouden (minimaal eenmaal per dag en zo nodig vaker) en verkeren in een goede bouwkundige staat. De afvalbakken worden dagelijks geleegd en gereinigd.
  • In de toiletblokken zijn wastafels aanwezig met zeep en faciliteiten om de handen te drogen.
  • Geurverspreiding vanuit toiletten naar elders in het gebouw wordt voorkomen.
    • De toiletruimten worden op onderdruk gehouden t.o.v. de omliggende ruimten.
    • De afvoercapaciteit van de toiletten bedraagt minimaal 50 m3 /uur afzuiging per toilet(pot)/urinoir.
    • De lucht uit toiletten wordt beschouwd als retourlucht en wordt direct uit deze ruimten naar buiten afgevoerd.
  • Vloeren en wanden (tot min. 70 cm hoogte) zijn zo uitgevoerd dat urine niet in het materiaal kan trekken.
  • Alle warmwatervoorzieningen voldoen aan de eisen voor bescherming tegen legionellabacteriën.
  • Bij nieuwbouw of verbouw worden de voorschriften in de publicatie ‘Rolstoeltoegankelijke toiletruimten & doucheruimten’ als minimale eis toegepast. Bij bestaande situaties gebeurt dit zoveel als redelijkerwijs van de hbo-instelling kan worden verwacht, waarbij in ieder geval moet worden voldaan aan de minimale wettelijk eisen (Bouwbesluit en artikel 4 Arbowet).
  • Zie voor sanitaire voorzieningen bij sportaccommodaties bij het Praktijklokaal Sportaccommodaties in deze arbocatalogus.

Wet- en regelgeving

Onderhoud, orde en netheid

Om arbeidsrisico’s te voorkomen is van belang dat er planmatig onderhoud plaatsvindt en dat kleine gebreken tijdig worden gesignaleerd en opgelost.

Normen en wetgeving

Groot onderhoud:

  • Er vindt planmatig onderhoud plaats van gebouwen en installaties. Planmatig onderhoud wordt vastgesteld op basis van een meerjarenonderhoudsplanning (MOP). Daarin wordt een inschatting gemaakt van het onderhoud dat er waarschijnlijk aan gaat komen. Met planmatig onderhoud wordt lastiger en  duurder achterstallig onderhoud wordt voorkomen. En er is een kleinere kans op onveilige situaties.
  • Het onderhoud wordt veilig uitgevoerd. Voor gevaarlijke onderhoudswerkzaamheden zijn uitgewerkte werkinstructies opgesteld. Denk bijvoorbeeld aan werkzaamheden in besloten ruimten, op hoogte, met elektra, aan verontreinigde installaties, bij sloop of bij brandgevaarlijke werkzaamheden of. Waar nodig wordt gewerkt met werkvergunningen.
  • Bij onderhoudscontracten met externe bedrijven worden afspraken vastgelegd over veilig werken.

Klein onderhoud en schoonmaak:

  • Kleine gebreken worden tijdig onderkend en opgelost. Denk hierbij aan hang en sluitwerk dat niet goed functioneert, oneffenheden in vloeren, op wegen en paden, verlichting die niet werkt, beschadigde kabels of stopcontacten, lekkende kranen, defecte zonwering, radiatoren die niet werken en verstoppingen van het riool. Om gebreken op te sporen hanteert de hbo-instelling een systeem waarmee gebruikers eenvoudig gebreken kunnen melden.
  • Alle werkoppervlakken en bekleding van de werkruimte zijn van zodanig materiaal en in dusdanig goede staat, dat zij bestand zijn tegen de optredende verontreinigingen en goed schoon te houden zijn. Speciaal waar met voedingsmiddelen gewerkt wordt, gelden zware eisen ten aanzien van het goed kunnen schoonhouden.
  • Het schoonmaakpersoneel is bekend met de gevaren in de diverse werkruimtes en de instelling heeft voorkomen dat dit personeel schade kan ondervinden van contact met gevaarlijke stoffen, arbeidsmiddelen en installaties.
  • Er zijn protocollen en afspraken over de wijze van schoonmaken en de manier waarop de gebruikers zorgen dat het schoonmaakpersoneel zonder onnodige risico’s zijn werk kan uitvoeren. Dit geldt vooral voor de vaklokalen waar potentiële risico’s spelen. Denk ook aan het opruimen van werktafels en vloeren in kantoorruimtes.
  • Medewerkers en studenten zijn bekend met de gevaren in de diverse werkruimtes en de instelling heeft voorkomen dat zij schade kunnen ondervinden bij het uitvoeren van schoonmaak- of opruimwerkzaamheden.
  • Bij schoonmaakwerkzaamheden aan arbeidsmiddelen (variërend van eenvoudig gereedschap tot machines en componenten van procesinstallaties) schakelt u installaties uit en sluit u spanning, gas en andere energiebronnen af.
  • Bij stofvormige verontreinigingen (houtstof, poeders en dergelijke) wordt niet geveegd maar met een geschikte stofzuiger opgeruimd. Ten minste één keer per week worden werkoppervlakken en vloeren nat gereinigd. Als er een risico op uitglijden bestaat, wordt een waarschuwingsbord of andere markering of afsluiting geplaatst.
  • Scholen slaan schoonmaakmiddelen op volgens de eisen die er ten aanzien van gevaarlijke stoffen gelden en op de werkplek is niet meer dan een werkvoorraad beschikbaar.
  • Bij verschillende schoonmaakmiddelen is sprake van gevaarlijke stoffen, die bij vermenging of verkeerd gebruik tot ernstige schade kunnen leiden. De hogeschool behandelt deze daarom als gevaarlijke stoffen
  • Afvalbakken zijn gescheiden naar soort afval, bestand tegen de materialen die er in verzameld worden en, omdat er chemische reacties kunnen ontstaan of vonken in terecht kunnen komen, vlamdovend uitgevoerd. Ze worden dagelijks geleegd.
  • Vanuit de afvalbakken worden de afvalstoffen op een centraal punt verzameld als chemisch afval, met inachtneming van de voorschriften voor de opslag van gevaarlijke stoffen. Dit conform PGS-15.

Wet- en regelgeving

Opslag, voorraad en afval

De opslag van zware of anderszins gevaarlijke materialen gebeurt in stevige stellingen, kasten en op planken, die geschikt zijn voor deze opslag.

Normen en wetgeving

  • Stellingen en kasten in magazijnen en in opslagruimtes die hoger zijn dan 2 meter, of waarbij de hoogte-diepte verhouding minimaal 4:1 is, zijn tegen omvallen verankerd. Ze beschikken over een CE-markering. Magazijnstellingen worden jaarlijks gekeurd. Dwars- en diepliggers van stellingen zijn goed geborgd.  Dat geldt ook voor opslagkasten met een vergelijkbaar systeem. Opslagkasten en stellingen zijn geplaatst op een vloer die de druk goed kan verdragen. Zware of gevaarlijke materialen worden op goed bereikbare planken opgeslagen en er zijn adequate hulpmiddelen om de hoger gelegen planken te bereiken.
  • Opslagruimten worden ordelijk gehouden en er wordt voorkomen dat materialen en voorwerpen zich op de kasten bevinden.
  • Alle producten worden volgens de daarvoor geldende voorschriften bewaard en gecontroleerd vóór gebruik.
  • Voedings- en geneesmiddelen blijven gescheiden van andere producten bewaard.
  • Afvalstoffen worden in gescheiden afvalstromen verzameld en opgeslagen en regelmatig aangeboden aan een verwerker die daarvoor een vergunning heeft.

Wet- en regelgeving

 

Praktijklokaal Sportaccommodaties

Inrichting

Tot de inrichtingseisen van een sportaccommodatie behoren onder meer voldoende en gescheiden kleedlokalen, schone douches, beperkte nagalm, veiligheidsglas en mechanische ventilatie.

Normen en wetgeving

De inrichting van de sportaccommodatie voldoet aan de KVLO-normen voor gymnastieklokalen en sportzalen/delen van sporthallen met schoolgebruik uit 2012. Enkele belangrijke onderdelen daaruit:

Gymlokaal/sportzaal:

  • geen uitstekende voorwerpen, zoals deurklinken;
  • het onderste deel van de wanden is glad afgewerkt;
  • de beglazing is van veiligheidsglas (ook in deuren, kasten enzovoort);
  • verlichtingsarmaturen en klokken en dergelijke zijn terugliggend in de wand geplaatst of afgeschermd;
  • hoeken en stijlen etc. moeten afgerond of afgeschuind zijn;
  • de vloer is veerkrachtig, stroef en niet beschadigd (geen oneffenheden/splinters);
  • in de sportzaal is door de keuze van absorberende inrichtingsmaterialen nagalm tegengegaan;
  • het achtergrondgeluidsniveau bedraagt niet meer dan 40 dB(A);
  • met het oog op rolstoelgebruikers worden bij nieuwbouw of verbouw de voorschriften in de publicatie ‘Sportgebouwen’ als minimale eis toegepast. Bij bestaande situaties gebeurt dit zoveel als redelijkerwijs van de hbo-instelling kan worden verwacht, waarbij in ieder geval moet worden voldaan aan de minimale wettelijk eisen (Bouwbesluit en artikel 4 Arbowet).
  • de vereiste maximale nagalmtijd is aangegeven in de volgende tabel: Tabel groter maken en achter link plaatsen aub.

Tabel: Maximale nagalmtijd in een gymlokaal of sportzaal

Kleedlokalen en douches
De aanwezige kleedlokalen en douches voldoen aan de volgende voorwaarden:

    • de vloer is stroef en niet beschadigd;
    • er zijn douches, toiletten en wastafels aanwezig, gescheiden naar sekse, afgestemd op het aantal studenten;
    • docenten hebben een eigen ruimte voor omkleden en douchen;
    • het sanitair is schoon;
    • de watertemperatuur is maximaal 38°C en studenten kunnen dit maximum niet aanpassen;
    • verlichting en andere elektrische voorzieningen zijn geschikt voor natte ruimten;
    • een kleedruimte is uitgerust met mechanische ventilatie met een ventilatievoud (het aantal keren per uur dat de gehele luchtinhoud van het lokaal wordt ververst) van ten minste zes;
    • een doucheruimte is uitgerust met mechanische ventilatie met een ventilatievoud van ten minste tien.

Wet- en regelgeving